maandag 15 augustus 2011

Melancholiek

naar Lars von Trier

Hoe zwaarmoedig zullen we zijn, als we wisten
dat de aarde nog maar enkele dagen had te leven?
Zouden we alles wegstoppen in een groot vergeten,
zorgen dat we van al wat geweest is niets meer weten?

En onze toekomstdromen weggooien in zee? Of verbranden?
Op onze tanden bijten. Niemand nog langer iets verwijten?
Of juist wel: ruzieën tot aan de laatste dag. Dan pas beseffen
dat alles gekkenwerk is, en ons einde toezien met een lach.

Het mooiste beeld dat ik eens zag, was dat van een stel stokken,
drie mensen die daaronder bij elkaar zaten te hokken, waarvan
er één zei dat die hut hen zou beschermen, een tweede die
dat geloofde, en een derde die niets anders kon dan huilen.

Een paard stierf in de verte. Hagel schoot. Licht was fel.
En alles werd, nadat alles was verdwenen, zoveel niets: de tijd doofde,
de dingen gingen schuilen in de eeuwigheid van nooit meer iets.
Niks had meer betekenis. Is werd ooit geweest. Niks kon nog dood of

vergaan. Alles was. Apocalyps ging slapen: 'Nooit meer opstaan.'

Ze beloofde.

zondag 14 augustus 2011

Noémie

Je was mooi en had een spiegel nodig
om dat in te kunnen zien. Een ruimte
om dat in te kunnen zijn en die twee dingen nog eens
om nog mooier in te worden.

Je had benen en droeg een chique jurk om die
uit te laten komen, stak je haren op
en daarna een sigaret. En je urmde over de regen
vanonder een paraplu die voor je opgehouden werd.

Je zong nog mooier dan je was, had daarvoor publiek nodig,
dat naar je opkeek vanaf het natte gras. Je werd een ster
en zong jezelf van de hemel.

Je liet je behandelen als een prinsesje, maar gedroeg je
als een meisje nog. Getuige de maaltijd die je 's avonds afsloeg,
en vooral de hamburger die je in zijn plaats at.

zondag 31 juli 2011

Bun Gabhala, Árainn Mhór

Hier sterft het land een soort geleidelijke dood.
Een vissersboot ligt innig met zichzelf verenigd,
graven rotten weg onder de voeten van een sterveling,
niets hier trekt zich ook maar iets aan van de kentering

van de tijd en de getijden. Beton glijdt in de oceaan,
scharen van krabben liggen afgerukt te verpieteren,
een wolk besluit te miezeren. In de verte doet het land
twee verwoede pogingen nog land te zijn.

Een man stapt over the burren naar een kleine nes.
Hij zwaait en roept door de mist gedempte kreten van geluk.

Hier kan niets meer stuk, alles is zo door en door
verweerd, tot op het onverwoestbare bot.

Wat hier afmeert, komt in grijze vlagen aangewaaid.

Een jonge vrouw staat op. Ze heeft zich moe gestaard.

woensdag 13 juli 2011

Fotograaf / gefotografeerde

naar Ester Naomi Perquin

In dit landschap staan wij lege zielen te wezen,
in dit wezen knielen wij, in de wijde omtrek geen
vogel te herkennen, maar dat hoor je toch niet
op papier, dat zie je enkel aan haar kin die schuin

in de vraagt-zich-af-houding staat, het wordt
nooit meer laat als we hem nu maken, trek je
nog iets uit? Je bent nog maar een paar minuten
meisje, dus om het beeld ten goede te komen

en je kleur niet te verzaken – stroken doe je toch
al met de vale achtergrond van regenwolkendek,
en voor gek zijn we allang verklaard.

Dus kom nu, wees toch dapper, je wordt er niets dan
mooier van, en ik meer man dat wilde je toch graag,
ik leg je vast, vandaag, opdat je langzamer verjaart.

maandag 11 juli 2011

Kinderspel

Thuis in het dorp tussen de steden en de zee
kende ik de stommen, die nooit tijdens het eten spraken,
zij die beknibbeld aten uit veel te kleine kommen.

Er waren meisjes zonder borsten, die al twintig waren,
omdat er mannen tussenzaten die het niet konden laten
bij staren. Het dorp hield zich gewillig van de dommen.

Want wat in de steden van de daken zou worden geschreeuwd,
werd hier kapotgestampt tot eufemismen, en zelfs die
verzweeg men met de lippen op elkaar geperst.

Eens per jaar, rond kerst, kwam iedereen samen.
Liefst als het had gesneeuwd en in de kortstondigheid
van schemer. Door de kleinste kinderen werd stilletjes gegeeuwd.

Geen mens deed of hij wist waarom. Er liepen jongens, krom,
ze sjouwden onuitgesproken bezwaren naar een soort altaren.
En daaraan werden ze tot man gemaakt. Klaar om toe te slaan.

zondag 10 juli 2011

Het was op een zondagmorgen

Het was op een zondagmorgen,
de lakens lagen strak gevouwen,
we baden tot de dove goden
of we alsjeblieft dan eindelijk...

We zoenden, een fermate,
jij wist plotseling hoe alles moest,
als de moeilijkste knoop, zei ik.
En er was hoop.

Later stonden we erom te lachen
in de vuistjes van ons kleinste kind.
Ik strikte de linten in je haar.

We waren oud genoeg voor ouder.
We hadden zeven kinderen
die speelden in de zon.

zaterdag 9 juli 2011

Dit hier

Kruimels op de keukenvloer. Ze denkt:
zo kent hij de weg terug naar de tafel.
Ze ziet hem staren door het raam. Hij kwijlt.

Ik heb vandaag vier medailles om de nek gehangen
van de grote vogel, zegt ie.
Je was helemaal niet buiten, zegt zij.

Jawel, ik heb alle achtbanen gedaan
en zeven rondjes om het plein gereden
in een auto op zonne-energie.

Ze loopt op hem af en legt een arm
op zijn schouders. Eet je nog wat soep?
Hij draait zich naar haar toe en zegt:

wees niet bang dat je de tijd inhalen kan.
Of dat ie jou inhaalt. Of dat je dingen missen zal
wanneer je bent gestorven of alles al gebeurde

voor je werd geboren. Want dit hier –
hij pakt de klok en houdt hem voor haar neus –
dit hier, is de eeuwigheid.

woensdag 6 juli 2011

Alleen

Ze is alleen geweest, alleen in bed,
alleen aan tafel, alleen naar de dierentuin,
alleen alleen, ze keek alleen naar het journaal,
ze kende alleen de voorgekauwde feiten.

Ze was alleen ouder, werd alleen grijs,
wist dat de kleinkinderen alleen haar hadden,
had 's nachts alleen nog maar haar spiegelbeeld,
kon uiteindelijk alleen iets niet alleen meer af.

De mensen om haar heen, ze zag ze niet.
Ze was alleen. En toen ze iets brak, uiteindelijk,
dacht ze: laat mij maar hier. Alleen.

Dan kan ik gaan. Alleen, dan zal iedereen wel zeggen
dat ik nog niet eens alleen op de wereld kon zijn.

Alleen zijn stem van de cassette hielp haar overeind.

dinsdag 5 juli 2011

De aftocht blazen

Ze zegt: 'Ik droomde dat we zo'n tijd geleden
leefden of juist over zo lang in de toekomst
en dat een stel continenten zich had verenigd,
je kon erover lopen, heel de wereld rond.'

'Over de evenaar?' vraag ik. 'Of juist over de polen?'
Dat weet ze niet. Ze zegt: 'Ik doolde
en kwam alle dieren tegen, alle planten
groeiden er en daarna was jij daar.

We stonden rug aan rug en telden af van tien.
Daarna renden we met volle snelheid uit elkaar.
Jij riep nog: “Ik kom je tegen, zeker weten!”

En jaren later zocht ik je nog. Ik was inmiddels
zestien keer de aardbol rondgelopen.' 'En toen?'
vraag ik. 'Wakker,' zegt ze, 'afgelopen.'

zondag 3 juli 2011

Dorp

Op feestjes hier zijn man en vrouw gescheiden
door een muur van kratjes Heineken.
Er is altijd wel een vader die iets te trots over zijn zonen praat.
Een onbekende die je 'Van wie ben jij d'r eentje?' vraagt.

Moeders stoppen hun dochters in 't geniep wat treurnis toe:
hier, dit zul je nodig hebben. En: wees niet bang,
ook ik was, in het begin, schijnbaar onveranderlijk moe,
alles duurt, hoe meer je meegeeft, minder lang.

Emoties zijn hoe dan ook voor mietjes,
ronde statafels worden vol gezet met droge grietjes
(lege pijpjes). Een jongen laat een boer.

Een meisje giechelt net te hard.
De fles zoete witte wijn valt alleszeggend
op de vloer.

woensdag 29 juni 2011

Mens (m/v)

Ze staat voor de spiegel en zegt:
hoe vaak ben ik niet veranderd van gedachte,
dat ik hier stond en wist: dit ben ik niet,
en dat wie ik wel was op die ander wachtte

tot ik weer een laag make-up, een elegante bril
(en niet zo'n grote), mijn blote lichaam
versierde met een zomerjurk en een hoog paar
hakken uit de kast had getoverd,

hoe vaak heb ik mezelf beloofd dat ik
een roze spaarpot nemen zou en er alles
in zou stoppen wat ik had. Om er dan eindelijk
mezelf van te kunnen kopen.

Zelfs de kat weet niet meer wie ze geloven kan.
Mij als mezelf of mij zoals ik werd geboren. Als man.

maandag 27 juni 2011

Ik uhm - ik moet je wat vertellen

Zegt ze: weet je, allerliefste, ik ben vandaag gevallen
en ze gooiden duizend ballen op mijn billen dus toen
ben ik maar gaan rennen en ze hadden zoveel stemmen
dat ik dacht dat ik gestoord geworden was.

Ik zeg: je meent het? Echt? Je klas?

Ze knikt, ze zegt: en later hebben ze me in het water
gedonderd, ik dus met open mond verwonderd duizend
liter binnenkrijgen, ze regen me nog bijna aan een paaltje
en toen jij kwam zeiden ze: daar heb je je neukie weer,

ze zeiden: goh, die haalt je elke dag weer op in zijn rode BMW.

Dus ik schudde nee en zei het is Mercedes, en ze lachten
en ze wachtten tot ik weg was en toen hebben ze me opgebeld.
Toen was ik aan het huilen, kwam jij vragen naar die builen,
zei ik: schat ik uhm – ik moet je wat vertellen en zei jij:

weet je, allerliefste, ik ben vandaag gevallen.

En toen wist ik het niet meer.

zondag 26 juni 2011

Bij een foto van Sylvie Marie De Coninck


Wil je me zeggen, later, als ik écht groot ben en oud
en alles vergeten, hoe ik altijd neer ging liggen in het gras,
en zul je de heggen die achter me waren beschrijven als
muren die door mij de rug toegekeerd stonden te zwijgen
en het nakijken hadden, omdat ik altijd doorging,
alles achter me liet wat achter me was?

En zul je me vertellen hoe bomen er eenzaam bijstonden
aan het einde van zo'n muur, hoe alles in mijn bijzijn kromp
en futiel werd, hoe we altijd weer de plekken vinden konden
waar we dansten en zoon en dochter speelden, waar we
liedjes zongen over de zee en waar we uren konden wachten
op niks, en maar volhielden dat we ons niet verveelden?

En wil je dan uiteindelijk, om me gerust te stellen, nog één keer
met mij de dagen tellen waarop het lichter werd vanwege mij,
omdat, zoals je altijd zei, god als hij me zag speels met zon en wolken
experimenteerde, en zullen we dan een laatste keer op onze buik
gaan liggen en over onze armen turen, urenlang naar vroeger kijken
en mag ik dan gelukkig zijn, een laatste keer de diepte in je ogen zien,

nog één keer zuchten, glimlachen, en dan

langzaam afkoelen, als een kruik?

zondag 19 juni 2011

Idee

Zullen we 'ns naar een weiland gaan, zo groot
dat we allebei zo ver uit elkaar kunnen staan
dat we elkaar wel nog zien, maar niet meer kunnen horen.
En mag ik je dan bellen, vragen: dans ik op je horizon?

En wil je dan ja zeggen en een koe nadoen vanuit de verte.
Staren en grazen, kauwen en zwart-wit.
Zul je me vragen of ik het zie. Mag ik dan zeggen van niet?

En zullen we onszelf vervolgens blinddoeken en richting
de ander lopen. Elkaar roepend, fluitend op de vingers.
Tot we elkaar bereiken. En dan vrijen zonder iets te zien.

En zullen we op de plek waar we elkaar troffen een huis bouwen
en er trouwen en kinderen maken. En allerlei beloftes doen
en ze nakomen. En dromen verwezenlijken, verhalen schrijven.
En er voor altijd blijven tot de boer ons vindt.

En ons naar hier terugstuurt.


Idee by Jelmer van Lenteren

woensdag 15 juni 2011

Turkije

Eens verdwaalden we, in een stad, we liepen
tussen onaffe
huizen, uit het gewapend beton
staken ijzeren
staven, alsof het een open botbreuk had.
Het was
warm en niemand wees ons de weg.

Na elke
bocht was er meer straat. De hitte
pulkte aan
onze poriën. We raakten langzaam
in paniek.
Er waren mannen ze leken op piraten.
En vrouwen
ze leken op robots. Het werd laat.

Een bries
trok aan het haar op onze armen.
Het donker
legde doeken om ons hoofd.
Er waren
geen lantaarns. We groepeerden.

Zondaars waren
we, we wisten het zeker,
en telkens
als één van ons riep: verder!
Liepen we
dat maar ongeveer een meter.

Waardoor je ziet

Ik denk dat poëzie iets is als een vervuilde ruit,
waardoor je al weken niets meer zag
en waarop een meisje klopt of ze binnen mag.
En dat ze dat al jaren mocht.

Poëzie is niet het zoeken zelf,
maar tijdens dat iets vinden waarnaar je langer zocht.
Het is reiken naar verre zinnen. Verzinnen.
En gezichten herkennen in het donkerste duister.

Poëzie is de luister van alles zijn vergeten
en in één klap alles weer lijken te weten.
Het is een gebaar bedenken voor gevaar

en je voortaan veilig voelen.
Poëzie is alles nog een laatste maal bevatten.
Het is het licht waardoor je ziet.

maandag 13 juni 2011

Parijs, 10 mei

voor Theo

Een paar uur aan de Seine, vijf flessen wijn.
We zaten, waren zat en we praatten.
De camembert smolt in de meizon, en we zongen
liedjes, die jij bedacht zoals alleen jij kon.

Hele families voeren langs op rivierschepen.
Jij noemde het een eindstation, zei:
waarmee die mensen dwepen, is gortdroge,
gebakken lucht, tweedehands en opgebruikt.

Je zei: als je heel goed snuift, kun je het ruiken.
En ik snoof. En rook verdriet. Of dat de hasj was,
vroeg ik nog. Maar nee, zei je, dat was het niet.

Je zei: die mensen kennen nog maar één gebaar,
voor alles halen ze hun schouders op, hoe dierbaar
het hen nog mag zijn. Je stem klonk die dag zo zwaar.

Ik maakte me klein en groef me in in jouw verhalen.
We zwegen toen een hele tijd. Tot ik zei: we houden
toch wel van elkaar? En jij: ik wil je nooit meer kwijt.

zondag 12 juni 2011

Te

Hij op de motor, zij achterop.
Ze oefenen vakantie. Niets moet.
Ze rijden naar een stadje verderop.
En stallen alles wat mee kon

uit op een kleedje en verkopen het.
Hij verkoopt spullen, zij vooral geschiedenis.
De pop van toen ze was gevallen,
kerstballen van toen mama nog leefde

en de pet van opa, die nog wel leeft,
maar voor haar niet meer bestaat.
De wereld schuifelt aan hen voorbij.
Het wordt donker en ze kijken naar elkaar.

Hoe laat is het? vraagt hij.

Te, zegt zij.

dinsdag 7 juni 2011

*

Voor C.

Eens zag ik je zwaaien. Niet echt.
Maar in de ramen en het waren
niet jouw armen en het was niet
jouw gezicht het was zelfs niet

ik die het zag. Maar mag ik alsjeblieft?
Ik werd zo verliefd dat de dingen waar ik
langsliep aanvoelden als streelhand,
geen hond blafte nog geen baby huilde meer

en alles was pianomuziek en mijn stoel viool.
Ik zat erin en legde mijn armen om haar hals.
Kuste elke poot, legde tien vingers op
de wereld en bespeelde haar. Eens

zag ik je zwaaien, daar, je stem werd
een weerspiegeling. Elk ding dat je noemde
bij naam werd iets anders, tot de hele wereld
op zijn kop en jij niet meer jij

en ik niet meer ik. Tot alles weer hetzelfde was.
En waar.

Witte raaf

Alles is hier wit.
Zelfs de haren van het meisje
op de foto in de wachtkamer.
En het lijstje en de stoelen.

Later zeg ik tegen de dokter:
er kraakt iets in mijn achterhoofd,
telkens als ik iets te snel beweeg.
Ik veeg de pijn die volgt zorgvuldig weg.

Hij vraagt waarmee. Ik zeg:
met een bezem natuurlijk, hallo!
Wat dacht ie dan? Hij lacht
en houdt een spiegel bij.

Vandaar dat bezemhaar, zegt hij.
Ik zie mezelf en hij heeft gelijk.
Op mijn hoofd ligt een warboel
van stofpluisjes en spinrag.

Als hij hem weghaalt zeg ik
dat ik niets bijzonders zag.
Hij schrijft me verdriet voor.
Ik moet er tweemaal daags

een druppeltje van nemen.