We lopen door de winter met zijn drieën:
wij twee en de hond die het net als ik
altijd te korte wandelingen vindt. Ze rent
voor ons uit, besluit: hier gaan we rechts.
Ze wil nog niet naar huis. Jij stelt voor:
we draaien om nu. Want je weet: hoe verder
we lopen des te sneller zijn we uitgepraat.
Ik zeg dat juist samen kunnen zwijgen is
waar het om draait. De stilte van vier voeten
en evenzoveel rondrennende poten kunnen delen.
Af en toe mijn handschoen uitdoen en je strelen.
Of de schaatsers in de verte kunnen horen.
Als we op zijn verst zijn, komt een jongetje ons
tegen. Verlegen vraagt ie of ze bijt. Wie,
vraag jij. Hij wijst en draait zich om. Verslagen.
De hond is kwijt. En ik, ik heb verloren.
woensdag 15 februari 2012
maandag 13 februari 2012
*
Aan het einde van haar leven,
minder te gaan dan nog wat luttele jaren.
Vanavond weer snooker op de buis: niet meer
dan wat suffe beelden om maar even te bewaren.
Wie dat is, vraagt ze. Je kleinzoon, zegt een dochter.
En zij op de foto? Een overleden vrouw van één van hen.
Zo is het na de negentig: men valt niet alleen
weg om je heen, zelfs wie tot lang na jou nog niet bestond,
wordt ziek of aangereden.
Ze is vandaag weer alles zoek geweest.
Alles voor zichzelf verstopt, maar ook dat is ze vergeten.
Hoe lastig moet dat zijn: iedereen die na haar kwam
zal zich haar zo herinneren - en zelfs dat zelf niet meer weten.
Een feestje. Op de stoel van pa en ze praat niet langer,
ze staart, vindt het niet eens meer druk.
Haar hart pompt enkel ongeduld.
Ze wacht vergeefs op de volgende partij. Die tijd,
die kent ze nu wel, daarmee is ze uitgewoekerd.
Want zij weet net zo goed als wij:
Er is maar zelden snooker.
Sonnet
Het was een mooie lentedag, weet je nog wel: broeierig,
met het gezoem van dieren tussen de bomen, langs het pad;
met het prille geluk van amper vier maanden verliefd,
streken wij de toekomst glad: ze zou vanzelf wel komen.
Je was bedeesd, herinner je je dat? Je liet mij praten en ik
maar doen alsof ik alles wist. De zon maakte schaduwen tussen
de struiken, daarin zaten rovers verstopt die jou beroofden
van je verlegenheid, jij kneep met je ogen en nam mij
bij de hand. We raakten van het pad, steeds verder in het
hoge gras, uit het zicht van de wandelaars. Het werd er bijna
stil. Mijn stem verraadde mijn verbazing. Je had geen
bezwaren, je had ze uitgedaan, net als onze kleren, en je legde
jezelf tussen het riet en regisseerde onze eerste keer. Zoveel
keren later vraag ik nog eens of je bang was toen. Je was het niet.
maandag 6 februari 2012
Winter
We verschoven het bed zo dat het
heel de morgen zon zou krijgen.
Zij lag naakt en zei: ik wil mijn huid
afritsen en uitspreiden, wil jij hem
dan gladstrijken? Ik zat in een stoel
en keek naar hoe ze plat en met al
haar ledematen zo gestrekt mogelijk
onder een deken van licht lag.
Een wolk gleed langs en deed het uit.
Een wolk gleed langs en deed het uit.
Ze rilde. Wilde je niet ook, vraagt ze,
dat het altijd vroor, met glas tussen ons
en de zon. Binnen warm en buiten op
de gracht de schaatsers voor het geluid.
Kom je? De zon verlaat zowat de ruit.
'Om iets te vieren'
voor Roger Vangheluwe
Er komt een feestdag aan,
maar wij tellen trillend af:
nog drie dagen, nog twee,
één, vandaag zullen wij moeten,
zij mogen. Aan ons wordt
de grondslag gelegd voor een
hels leven op aarde. Hier eindigt
wat eens zo'n mooi beginsel was,
goed gaat hier niet hand in hand
met kwaad – ze hebben gemeenschap.
Wij tellen rillend af vandaag, tot
de volgende viering en wij vervloeken
vol ongeloof dit celibaat, dankzij welk
een mens zijn dierlijke zonden begaat.
vrijdag 3 februari 2012
Ars poëtica
Als we de regels niet zo nauw hadden
genomen, was de hele wereld een bos
en overal waar de bomen niet stonden
een open plek.
Zo stel ik me poëzie voor: ze is overal,
maar lang niet alles, ze is vooral
heel veel gebrek. Aan zichzelf.
Ze is de zere vinger juist. Versiering
in een huis waar iemand is gestorven.
Als je haar nodig hebt, je wilt bijvoorbeeld
schuilen, is ze weg. En als je denkt:
doe mij wat groen, wat frisse lucht –
ze zal zo vlug niet komen.
Ze is na uren adem moeten halen,
de verlossing van een zucht.
donderdag 26 januari 2012
Flarden
We hebben samen een bed, jij de dekens,
ik een slaapgebrek, jij nog altijd kou, ik last
van ieder geluidje: gelach van buiten, werk
aan het spoor ver weg, ritselende muizen,
hoe het ergens in een naastgelegen kamer lekt.
We hebben afgesproken: zolang er één slaapt,
mag de ander ernaar kijken, dus staar ik
en wacht de momenten af waarop je uit het niets
plots iets zegt. Alsof je even wakker was.
Zullen we er een boot van maken? vraag je, of
je zegt: ik ben het daar volstrekt mee oneens.
Wat? zeg ik, wat zeg je? Niks, je moet me laten.
Ik probeer me de dromen voor te stellen waaruit jij
begint te praten. In de morgen ben je ze vergeten.
Je wilt van de dingen die je zei vannacht overdag niets weten.
woensdag 18 januari 2012
Hoe te sterven in een gedicht
Het mag in vier kwatrijnen, zei hij, maak de regels maar zo
lang als je zelf wilt. Er moet op z'n minst één kind beginnen
dreinen en een meisje zijn van zo'n vijftien dat zich bijna-
doodverveelt. Dit ten gunste van het drama.
En miezer moet er wezen, van die damperige regen. Een optocht
ter cynisme: voor de viering van iets levends. Het mag best
een zoektocht zijn naar de meest uiteenlopende vormen van
het einde, maar wees je van je keuze wel bewust.
Dan: een vrouw die het kind van een ander kust, gordijnen
die wapperen van wittigheid, de geur van braadvlees, overspel,
drank en de wens om te verdwijnen. Niemand die de potentiële
dode ziet. Enkel is er feestgedruis en hier en daar verdrukking.
Zij, in haar huis, stookt het haardvuur op, slaat voor de laatste
keer haar rechterbeen over haar linker. Haar leven schiet in een
gebed aan haar voorbij. Ze merkt nog niets. In de straten zingen
mensen of ze kinderen zijn. Dan stopt het geluid, dan stopt ook zij.
lang als je zelf wilt. Er moet op z'n minst één kind beginnen
dreinen en een meisje zijn van zo'n vijftien dat zich bijna-
doodverveelt. Dit ten gunste van het drama.
En miezer moet er wezen, van die damperige regen. Een optocht
ter cynisme: voor de viering van iets levends. Het mag best
een zoektocht zijn naar de meest uiteenlopende vormen van
het einde, maar wees je van je keuze wel bewust.
Dan: een vrouw die het kind van een ander kust, gordijnen
die wapperen van wittigheid, de geur van braadvlees, overspel,
drank en de wens om te verdwijnen. Niemand die de potentiële
dode ziet. Enkel is er feestgedruis en hier en daar verdrukking.
Zij, in haar huis, stookt het haardvuur op, slaat voor de laatste
keer haar rechterbeen over haar linker. Haar leven schiet in een
gebed aan haar voorbij. Ze merkt nog niets. In de straten zingen
mensen of ze kinderen zijn. Dan stopt het geluid, dan stopt ook zij.
Waarom jij niet wakker wordt
naar Sylvie Marie en voor Djoeke
Je slaagt erin nooit te ontwaken,
je ogen die niet open willen, je knakkende kaken
bij het gapen een mond om in te verdwalen,
je blijft in slaap gevallen liggen als een gewonde
na een ongeluk, beantwoordt vragen met diepe
zuchten die lijken te klagen: ga, laat me,
ik blijf en buk me nog eens dieper om je heen,
je rug een alleen gelaten vlakte kus ik tot er
water is en uiteindelijk de kans op leven.
zondag 8 januari 2012
In de morgen slaapt ze
In de morgen slaapt ze, diep
en uit. Als ik haar wakker maak,
vraagt ze: laat je me nog heel even?
Uren later staat ze op.
Ze geeuwt dan nog een lange tijd
en krijgt haar ogen amper open.
Als een pasgeboren beestje,
niet moe geraakt van groeien
en de warmte van haar moeders buik,
maar moe geworden van een feestje,
en warm van mijn arm. Het luik
van de dag waar ze in mag, staat open,
ze hoeft er alleen doorheen te stappen.
Ze wil nog niet, ze zegt: ik doe iets
aan het uiterlijk van mijn hoofd, daarna
neem ik een koude douche, stevig ontbijt,
en als ik vind dat ik het aankan, ga ik leven.
Maar eerst nog even zitten hier, op bed,
het moe-zijn moe zijn, ervan beven.
zaterdag 7 januari 2012
Wat ze kende / wat ze kent
Wat ze kende: moestuinen vol sappig fruit,
kippenhokken met elke morgen op z'n minst
haar ei. Vele gezichten, immer opgewekt.
Ze kende mannen die haar wilden schaken,
bedgeheimen voor de kerk en voor haar vader en ze kende
alle lanen rond het dorp als de zakken van haar rok.
Ze fietste er één af toen de eerste bommen kwamen.
Later kende ze geen goede Duitser en één Canadees
die haar na de bevrijding van haar pasgeboren zoon kwam zien.
Sindsdien verwart ze bij het bidden het goede met het kwade,
leiden haar dromen haar bekoring in.
Wat ze nu nog kent, zijn haar kinderen die om de dag elkaars
namen dragen. Als ze opstaat, valt ze in haar stoel terug. Men hoopt
bij elk nieuw achterkleinkind dat zij het nog zal meemaken.
woensdag 4 januari 2012
Het werd die winter heel vaak herfst
een ode aan de weerman
Hij kan wat de mensen zullen doen, bepalen:
schaatsen slijpen, coltrui kopen, knopen
van de winterjas vervangen, de was binnenhalen.
Hij is de graagst bekeken ziener van de dag.
Achter hem is altijd alles blauw, op televisie
zijn er foto's van prachtige zonsondergangen,
bomen die gebukt gaan onder tonnen sneeuw,
de kop van een meeuw vanonder dorre blaren.
Als de bomen bloesem krijgen, wist hij dat allang.
Voor een natuurramp is hij net zo bang als voor
de mitsen en de maren van zijn medestanders.
Hij werkt het beste onder hoge druk. En 's avonds
als hij in de kroeg zit, zegt hij om twintig over acht
tegen de barman: zet 't nieuws 's aan. En kijkt hij
vanaf zijn kruk naar hoe een ander vindt dat het
zal gaan. Of hij wel slapen kan vannacht.
dinsdag 3 januari 2012
Mijn hart zal doorgaan
Ik was bang dat als ik heel lang naar je keek
ik jou daarmee zou breken. Maar ik deed het.
Ik was bang dat als ik je zou aanraken, jij zou
vragen: waarom aai je me. Dus koosde ik je stiekem lief.
Toen ik dan toch je hand beetpakte, bleek die even slank,
fragiel en lang als je gezicht, je torso en je tenen.
Ik moest denken aan een grapje dat ik lang geleden
schreef: over een meisje dat tot in haar voeten voelde
hoe een man haar streelde, terwijl ze leefde zonder benen.
Je was gevoelig en bent de hele avond met je zwarte kleren
in de donkere muur verdwenen.
Op het laatst zei je: tot ziens. Ik vroeg of je dat meende.
Je zweeg en sloeg me met de neerslag van je ogen
hard in het gezicht.
maandag 2 januari 2012
Poëzie (1)
voor Djoeke
Alleen wanneer er nog niets op papier staat,
staat alles er nog: hoe de takken van de bomen
op 1 januari zwaar waren van regen, hoe we
met paraplu door de stad zwoegden, wind tegen.
Hoe je zei: kus de Labello van mijn lippen,
hoe ik dat deed en hoe ik er bijna van moest
overgeven. We stonden op een brug, straatstenen
lagen tussen spiegelplassen met daarin de stad
van onder. Er gebeurde niets op straat, behalve
voetgangers. Wij in het bijzonder. Een dode vogel
lag uiteen gereten op de stoep. Je wees, zei:
da's 't leven. Ik streelde je vaarwel, snelde op huis aan,
heb dit alles opgeschreven en besloot met: opdat wij twee
het alles dat er eerst nog stond, hebben verdreven.
zondag 1 januari 2012
Poëzie
voor D.
Alleen wanneer er nog niets op papier staat,
staat alles er nog: hoe de takken van de bomen
op 1 januari zwaar waren van regen, hoe we
met paraplu door de stad zwoegden, wind tegen.
Hoe je zei: kus de Labello van mijn lippen,
hoe ik dat deed en hoe ik er bijna van moest
overgeven. We stonden op een brug, straatstenen
lagen tussen spiegelplassen met daarin de stad
van onder. Er gebeurde niets op straat, behalve
voetgangers. Wij in het bijzonder. Een dode vogel
lag uiteen gereten op de stoep. Je wees, zei:
da's 't leven. Ik streelde je vaarwel, stoof op huis aan,
heb dit alles opgeschreven en besloot met: opdat wij
voor altijd tussen bijna alles mogen blijven staan.
maandag 26 december 2011
Soms
Soms dacht ik dat je dood was. Je lag,
opgemaakt, haar gedaan, jurk aan, in bed.
We hoefden er alleen een kist omheen te timmeren.
Soms staarde je minutenlang zonder
te knipperen naar niets. Alles liet je staan,
je dacht: dat ruimt een ander op en als het
even kon, had jij dat ook met jou gedaan.
Soms dacht ik dat het ongeluk jouw lichaam
aangetrokken had, en dat het paste als een maatpak.
Het waste zijn kleren noch trok het ze uit in bed.
Iets keek vanuit jou mee. Er is niets dat jou nog redt.
Soms dacht ik dat. Maar nu jouw leven zijn laatste zet
heeft gedaan, kleeft er niets anders aan jouw lichaam
dan stollend bloed. Naast je ligt je mooiste jurk al klaar.
woensdag 16 november 2011
Memoire (1)
Ik lig met open ogen,
gericht op zwarte gaten
in het plafond,
een rug naast me.
Wat ik eens kon: uren
in de lotushouding
tot iemand me kwam halen
en dan zeggen: laat me.
Wat ik nooit ga kunnen:
strelen, menen dat ik
van de ander hou.
De rug vraagt om dekens
tegen kou. Ik weiger.
Als de reiger staar ik:
de vissen zwarte gaten
in mijn geheugen. Met rook
gevulde kamer, hartvormige
chocola, een op slot
gedraaide la met foto's
van hoe ik blijf gissen.
Als ik opsta, ziet de rug
er doodmoe uit. Hij heeft
te vergeefs en lang verlangd
naar een warme hand.
Buiten hangt de lucht
teneergeslagen rond
de kragen van het gebouw,
de mist drukt met volle kracht
de wereld samen. Dan zie ik
een man, hij heeft een houten
lichaam en het gezicht
van mijn verleden, grauw.
Memoire
Ik lig met open ogen,
gericht op zwarte gaten
in het plafond,
een rug naast me.
Wat ik eens kon: uren
in de lotushouding
tot iemand me kwam halen
en dan zeggen: laat me.
Wat ik nooit ga kunnen:
strelen, menen dat ik
van de ander hou.
De rug vraagt om dekens
tegen kou. Ik weiger.
Als de reiger staar ik:
de vissen zwarte gaten
in mijn geheugen. Met rook
gevulde kamer, hartvormige
chocola, een op slot
gedraaide la met foto's
van hoe ik blijf gissen.
Als ik opsta, ziet de rug
er doodmoe uit. Hij heeft
te vergeefs en lang verlangd
naar een warme hand.
Buiten hangt de lucht
teneergeslagen rond
de kragen van het gebouw,
de mist drukt met volle kracht
de wereld samen. Dan zie ik
een man, hij heeft een houten
lichaam en het gezicht
van mijn verleden.
woensdag 9 november 2011
Route
Als alles behalve ik
in cirkels ging, zou ik
altijd blijven staan
langs de jouwe: je komt,
je gaat en komt terug.
Het rondzingen van
jouw naam en het open-
gaan van de dingen:
rozen, deuren, werelden,
bruggen en een wond –
het doet me zeer, leert me
dat omkeren, me ervan
wegdraaien soms beter is.
Maar ik wil jou zien en het
verval en hoe je telkens
weer een beetje bent
veranderd.
Als de tussenpozen lang
geworden zijn en ik telkens
moet wachten tot ik jou
in de verte aan zie komen
vraag ik me hardop af
wanneer het einde zich
buiten mijn zicht zal openbaren
en wil ik er moe van raken.
in cirkels ging, zou ik
altijd blijven staan
langs de jouwe: je komt,
je gaat en komt terug.
Het rondzingen van
jouw naam en het open-
gaan van de dingen:
rozen, deuren, werelden,
bruggen en een wond –
het doet me zeer, leert me
dat omkeren, me ervan
wegdraaien soms beter is.
Maar ik wil jou zien en het
verval en hoe je telkens
weer een beetje bent
veranderd.
Als de tussenpozen lang
geworden zijn en ik telkens
moet wachten tot ik jou
in de verte aan zie komen
vraag ik me hardop af
wanneer het einde zich
buiten mijn zicht zal openbaren
en wil ik er moe van raken.
maandag 7 november 2011
Heet me gelukkig
Naast jou in bed en het is warm
op mijn huid van je adem. Ik zeg
een getal onder de honderd en je
raadt het.
Dan zie ik zie wat jij niet ziet en
zonder iets te vragen zeg je mij
naar de ogen. Met je nagel teken
je een luik op mijn rug.
Daar haal ik al je ingewanden uit,
zeg je, en ik stop er witte watten in.
Je wordt mijn teddybeer.
Je krijgt een veer en inkt en je zult
aan een tafeltje schrijven. Je moet tot de
taal precies een ons weegt blijven.
op mijn huid van je adem. Ik zeg
een getal onder de honderd en je
raadt het.
Dan zie ik zie wat jij niet ziet en
zonder iets te vragen zeg je mij
naar de ogen. Met je nagel teken
je een luik op mijn rug.
Daar haal ik al je ingewanden uit,
zeg je, en ik stop er witte watten in.
Je wordt mijn teddybeer.
Je krijgt een veer en inkt en je zult
aan een tafeltje schrijven. Je moet tot de
taal precies een ons weegt blijven.
Abonneren op:
Posts (Atom)