Wij zijn geen jongens meer,
maar ook geen mannen, onze Vaders
leerden ons de kneepjes van dit vak;
wij zwommen in Gods handen.
Toch werd hetzelfde soort gedrag
hier niet geduld: geholpen moesten wij.
Gevrijwaard tegen onze lusten,
omdat wij onze broertjes kusten.
Later zou dit allemaal worden verzwegen.
Welk mens had hier iets over willen weten?
Ons lied moet zo hebben geklonken:
Vader, wij willen straf,
wij hebben ons onmannelijk gedragen,
neem ons toch alstublieft de ballen af!
zaterdag 17 maart 2012
dinsdag 13 maart 2012
Vroeg in maart
Het licht was fel, alles zag witter
door het voorbije seizoen. Hij, naast me, zei:
alles ziet winter.
Een fles dreef voorbij. Zit er een brief in?
vroeg hij. Nog voor ik het wist, las hij hem voor:
de bomen staan zich plomp voor te doen,
de ruimte te nemen voor later, ze willen
er een jaarring bij, wat tijdelijk groen.
Wij praatten, meer kwam er niet van.
Een zwaan leek te zwijgen. De zon sneed
in de ogen van wie de blik in het water kwam.
door het voorbije seizoen. Hij, naast me, zei:
alles ziet winter.
Een fles dreef voorbij. Zit er een brief in?
vroeg hij. Nog voor ik het wist, las hij hem voor:
de bomen staan zich plomp voor te doen,
de ruimte te nemen voor later, ze willen
er een jaarring bij, wat tijdelijk groen.
Wij praatten, meer kwam er niet van.
Een zwaan leek te zwijgen. De zon sneed
in de ogen van wie de blik in het water kwam.
zondag 4 maart 2012
Delft, 4 maart
Kwart voor vijf in de middag: de kerkklok roept
de christenen bijeen. Er moet gebeden worden.
In zo'n schijnheiligheid wanen zij zich menselijk,
want wie geen daad verricht, vraagt God erom.
Er moet gepreekt worden. Misschien wel over nu,
en hoe de wereld beter wordt van hun gejammer.
De mensen moeten schuilen, voor elkaar, zichzelf,
hun mateloos verdriet en een beetje voor de regen.
Hoeveel wanhoop kun je bergen in een stad, hoeveel
oranje doden passen nog in deze sacrosancte grond?
En wie bepaalt dat? De klokken houden stil.
Het theaterstuk is aangevangen. Daarbinnen zitten zij:
de vaders voor hun vaders, de vrouwen voor hun mannen,
de weduwen uit eenzaamheid, de kinderen voor straf.
Deze zondag snikt meer dan alleen een voorbije week
van zich af.
de christenen bijeen. Er moet gebeden worden.
In zo'n schijnheiligheid wanen zij zich menselijk,
want wie geen daad verricht, vraagt God erom.
Er moet gepreekt worden. Misschien wel over nu,
en hoe de wereld beter wordt van hun gejammer.
De mensen moeten schuilen, voor elkaar, zichzelf,
hun mateloos verdriet en een beetje voor de regen.
Hoeveel wanhoop kun je bergen in een stad, hoeveel
oranje doden passen nog in deze sacrosancte grond?
En wie bepaalt dat? De klokken houden stil.
Het theaterstuk is aangevangen. Daarbinnen zitten zij:
de vaders voor hun vaders, de vrouwen voor hun mannen,
de weduwen uit eenzaamheid, de kinderen voor straf.
Deze zondag snikt meer dan alleen een voorbije week
van zich af.
maandag 20 februari 2012
*
De Klippen van Moher: we staan op de drempel
van een verstokt altijd: het nu dat inmiddels alweer eeuwen
aan het duren is en zal voortborduren op dit massieve zijn
van duizelingwekkende hoogtes.
Een torentje prijkt als een botte punt boven het kalksteen uit:
hier overzag de toerist van 1835 al mijlenver de oceaan die
in de tijd geen steek veranderd lijkt, alleen wie haar door de jaren heen
bekijkt, weet: de aanschouwer bezwijkt en gaat voorbij,
niet die eeuwenoude bak vol water.
Velen maken het hier met een val die eindigt met een dodelijke klap,
in één keer jaren later. De klippen zijn een mooi decor voor de tragiek
van machtig sterven.
Er zijn paden uitgesleten, die doen vergeten dat waar zij beginnen
borden staan met 'verboden toegang' in allerlei talen. De tijd heeft hier
niets meer te halen en verwaarloost dit door hem geamputeerde land.
Kiezel
Wij zijn allebei van steen, zegt hij,
ik een kiezel, jij een beeld met benen.
Jij staat in wat je verder bent:
het gelid van meisjes die
om van te houden eerst weleens
mogen worden verslagen. Ze hebben rond jou
het onnodige weggehaald, tot wat onmogelijk
leek werd mogelijk gemaakt, tot men
jou recht in de ogen keek, je een naam gaf,
een plek om zolang de voorraad tijd en ruimte
zou strekken te blijven, tot er een nieuwe
wind opstak en een hatelijke storm zou waaien.
Men kreeg jou als een voornaamwoord,
en streelde je tot dat persoonlijk was.
woensdag 15 februari 2012
Drenthe
We lopen door de winter met zijn drieën:
wij twee en de hond die het net als ik
altijd te korte wandelingen vindt. Ze rent
voor ons uit, besluit: hier gaan we rechts.
Ze wil nog niet naar huis. Jij stelt voor:
we draaien om nu. Want je weet: hoe verder
we lopen des te sneller zijn we uitgepraat.
Ik zeg dat juist samen kunnen zwijgen is
waar het om draait. De stilte van vier voeten
en evenzoveel rondrennende poten kunnen delen.
Af en toe mijn handschoen uitdoen en je strelen.
Of de schaatsers in de verte kunnen horen.
Als we op zijn verst zijn, komt een jongetje ons
tegen. Verlegen vraagt ie of ze bijt. Wie,
vraag jij. Hij wijst en draait zich om. Verslagen.
De hond is kwijt. En ik, ik heb verloren.
wij twee en de hond die het net als ik
altijd te korte wandelingen vindt. Ze rent
voor ons uit, besluit: hier gaan we rechts.
Ze wil nog niet naar huis. Jij stelt voor:
we draaien om nu. Want je weet: hoe verder
we lopen des te sneller zijn we uitgepraat.
Ik zeg dat juist samen kunnen zwijgen is
waar het om draait. De stilte van vier voeten
en evenzoveel rondrennende poten kunnen delen.
Af en toe mijn handschoen uitdoen en je strelen.
Of de schaatsers in de verte kunnen horen.
Als we op zijn verst zijn, komt een jongetje ons
tegen. Verlegen vraagt ie of ze bijt. Wie,
vraag jij. Hij wijst en draait zich om. Verslagen.
De hond is kwijt. En ik, ik heb verloren.
maandag 13 februari 2012
*
Aan het einde van haar leven,
minder te gaan dan nog wat luttele jaren.
Vanavond weer snooker op de buis: niet meer
dan wat suffe beelden om maar even te bewaren.
Wie dat is, vraagt ze. Je kleinzoon, zegt een dochter.
En zij op de foto? Een overleden vrouw van één van hen.
Zo is het na de negentig: men valt niet alleen
weg om je heen, zelfs wie tot lang na jou nog niet bestond,
wordt ziek of aangereden.
Ze is vandaag weer alles zoek geweest.
Alles voor zichzelf verstopt, maar ook dat is ze vergeten.
Hoe lastig moet dat zijn: iedereen die na haar kwam
zal zich haar zo herinneren - en zelfs dat zelf niet meer weten.
Een feestje. Op de stoel van pa en ze praat niet langer,
ze staart, vindt het niet eens meer druk.
Haar hart pompt enkel ongeduld.
Ze wacht vergeefs op de volgende partij. Die tijd,
die kent ze nu wel, daarmee is ze uitgewoekerd.
Want zij weet net zo goed als wij:
Er is maar zelden snooker.
Sonnet
Het was een mooie lentedag, weet je nog wel: broeierig,
met het gezoem van dieren tussen de bomen, langs het pad;
met het prille geluk van amper vier maanden verliefd,
streken wij de toekomst glad: ze zou vanzelf wel komen.
Je was bedeesd, herinner je je dat? Je liet mij praten en ik
maar doen alsof ik alles wist. De zon maakte schaduwen tussen
de struiken, daarin zaten rovers verstopt die jou beroofden
van je verlegenheid, jij kneep met je ogen en nam mij
bij de hand. We raakten van het pad, steeds verder in het
hoge gras, uit het zicht van de wandelaars. Het werd er bijna
stil. Mijn stem verraadde mijn verbazing. Je had geen
bezwaren, je had ze uitgedaan, net als onze kleren, en je legde
jezelf tussen het riet en regisseerde onze eerste keer. Zoveel
keren later vraag ik nog eens of je bang was toen. Je was het niet.
maandag 6 februari 2012
Winter
We verschoven het bed zo dat het
heel de morgen zon zou krijgen.
Zij lag naakt en zei: ik wil mijn huid
afritsen en uitspreiden, wil jij hem
dan gladstrijken? Ik zat in een stoel
en keek naar hoe ze plat en met al
haar ledematen zo gestrekt mogelijk
onder een deken van licht lag.
Een wolk gleed langs en deed het uit.
Een wolk gleed langs en deed het uit.
Ze rilde. Wilde je niet ook, vraagt ze,
dat het altijd vroor, met glas tussen ons
en de zon. Binnen warm en buiten op
de gracht de schaatsers voor het geluid.
Kom je? De zon verlaat zowat de ruit.
'Om iets te vieren'
voor Roger Vangheluwe
Er komt een feestdag aan,
maar wij tellen trillend af:
nog drie dagen, nog twee,
één, vandaag zullen wij moeten,
zij mogen. Aan ons wordt
de grondslag gelegd voor een
hels leven op aarde. Hier eindigt
wat eens zo'n mooi beginsel was,
goed gaat hier niet hand in hand
met kwaad – ze hebben gemeenschap.
Wij tellen rillend af vandaag, tot
de volgende viering en wij vervloeken
vol ongeloof dit celibaat, dankzij welk
een mens zijn dierlijke zonden begaat.
vrijdag 3 februari 2012
Ars poëtica
Als we de regels niet zo nauw hadden
genomen, was de hele wereld een bos
en overal waar de bomen niet stonden
een open plek.
Zo stel ik me poëzie voor: ze is overal,
maar lang niet alles, ze is vooral
heel veel gebrek. Aan zichzelf.
Ze is de zere vinger juist. Versiering
in een huis waar iemand is gestorven.
Als je haar nodig hebt, je wilt bijvoorbeeld
schuilen, is ze weg. En als je denkt:
doe mij wat groen, wat frisse lucht –
ze zal zo vlug niet komen.
Ze is na uren adem moeten halen,
de verlossing van een zucht.
donderdag 26 januari 2012
Flarden
We hebben samen een bed, jij de dekens,
ik een slaapgebrek, jij nog altijd kou, ik last
van ieder geluidje: gelach van buiten, werk
aan het spoor ver weg, ritselende muizen,
hoe het ergens in een naastgelegen kamer lekt.
We hebben afgesproken: zolang er één slaapt,
mag de ander ernaar kijken, dus staar ik
en wacht de momenten af waarop je uit het niets
plots iets zegt. Alsof je even wakker was.
Zullen we er een boot van maken? vraag je, of
je zegt: ik ben het daar volstrekt mee oneens.
Wat? zeg ik, wat zeg je? Niks, je moet me laten.
Ik probeer me de dromen voor te stellen waaruit jij
begint te praten. In de morgen ben je ze vergeten.
Je wilt van de dingen die je zei vannacht overdag niets weten.
woensdag 18 januari 2012
Hoe te sterven in een gedicht
Het mag in vier kwatrijnen, zei hij, maak de regels maar zo
lang als je zelf wilt. Er moet op z'n minst één kind beginnen
dreinen en een meisje zijn van zo'n vijftien dat zich bijna-
doodverveelt. Dit ten gunste van het drama.
En miezer moet er wezen, van die damperige regen. Een optocht
ter cynisme: voor de viering van iets levends. Het mag best
een zoektocht zijn naar de meest uiteenlopende vormen van
het einde, maar wees je van je keuze wel bewust.
Dan: een vrouw die het kind van een ander kust, gordijnen
die wapperen van wittigheid, de geur van braadvlees, overspel,
drank en de wens om te verdwijnen. Niemand die de potentiële
dode ziet. Enkel is er feestgedruis en hier en daar verdrukking.
Zij, in haar huis, stookt het haardvuur op, slaat voor de laatste
keer haar rechterbeen over haar linker. Haar leven schiet in een
gebed aan haar voorbij. Ze merkt nog niets. In de straten zingen
mensen of ze kinderen zijn. Dan stopt het geluid, dan stopt ook zij.
lang als je zelf wilt. Er moet op z'n minst één kind beginnen
dreinen en een meisje zijn van zo'n vijftien dat zich bijna-
doodverveelt. Dit ten gunste van het drama.
En miezer moet er wezen, van die damperige regen. Een optocht
ter cynisme: voor de viering van iets levends. Het mag best
een zoektocht zijn naar de meest uiteenlopende vormen van
het einde, maar wees je van je keuze wel bewust.
Dan: een vrouw die het kind van een ander kust, gordijnen
die wapperen van wittigheid, de geur van braadvlees, overspel,
drank en de wens om te verdwijnen. Niemand die de potentiële
dode ziet. Enkel is er feestgedruis en hier en daar verdrukking.
Zij, in haar huis, stookt het haardvuur op, slaat voor de laatste
keer haar rechterbeen over haar linker. Haar leven schiet in een
gebed aan haar voorbij. Ze merkt nog niets. In de straten zingen
mensen of ze kinderen zijn. Dan stopt het geluid, dan stopt ook zij.
Waarom jij niet wakker wordt
naar Sylvie Marie en voor Djoeke
Je slaagt erin nooit te ontwaken,
je ogen die niet open willen, je knakkende kaken
bij het gapen een mond om in te verdwalen,
je blijft in slaap gevallen liggen als een gewonde
na een ongeluk, beantwoordt vragen met diepe
zuchten die lijken te klagen: ga, laat me,
ik blijf en buk me nog eens dieper om je heen,
je rug een alleen gelaten vlakte kus ik tot er
water is en uiteindelijk de kans op leven.
zondag 8 januari 2012
In de morgen slaapt ze
In de morgen slaapt ze, diep
en uit. Als ik haar wakker maak,
vraagt ze: laat je me nog heel even?
Uren later staat ze op.
Ze geeuwt dan nog een lange tijd
en krijgt haar ogen amper open.
Als een pasgeboren beestje,
niet moe geraakt van groeien
en de warmte van haar moeders buik,
maar moe geworden van een feestje,
en warm van mijn arm. Het luik
van de dag waar ze in mag, staat open,
ze hoeft er alleen doorheen te stappen.
Ze wil nog niet, ze zegt: ik doe iets
aan het uiterlijk van mijn hoofd, daarna
neem ik een koude douche, stevig ontbijt,
en als ik vind dat ik het aankan, ga ik leven.
Maar eerst nog even zitten hier, op bed,
het moe-zijn moe zijn, ervan beven.
zaterdag 7 januari 2012
Wat ze kende / wat ze kent
Wat ze kende: moestuinen vol sappig fruit,
kippenhokken met elke morgen op z'n minst
haar ei. Vele gezichten, immer opgewekt.
Ze kende mannen die haar wilden schaken,
bedgeheimen voor de kerk en voor haar vader en ze kende
alle lanen rond het dorp als de zakken van haar rok.
Ze fietste er één af toen de eerste bommen kwamen.
Later kende ze geen goede Duitser en één Canadees
die haar na de bevrijding van haar pasgeboren zoon kwam zien.
Sindsdien verwart ze bij het bidden het goede met het kwade,
leiden haar dromen haar bekoring in.
Wat ze nu nog kent, zijn haar kinderen die om de dag elkaars
namen dragen. Als ze opstaat, valt ze in haar stoel terug. Men hoopt
bij elk nieuw achterkleinkind dat zij het nog zal meemaken.
woensdag 4 januari 2012
Het werd die winter heel vaak herfst
een ode aan de weerman
Hij kan wat de mensen zullen doen, bepalen:
schaatsen slijpen, coltrui kopen, knopen
van de winterjas vervangen, de was binnenhalen.
Hij is de graagst bekeken ziener van de dag.
Achter hem is altijd alles blauw, op televisie
zijn er foto's van prachtige zonsondergangen,
bomen die gebukt gaan onder tonnen sneeuw,
de kop van een meeuw vanonder dorre blaren.
Als de bomen bloesem krijgen, wist hij dat allang.
Voor een natuurramp is hij net zo bang als voor
de mitsen en de maren van zijn medestanders.
Hij werkt het beste onder hoge druk. En 's avonds
als hij in de kroeg zit, zegt hij om twintig over acht
tegen de barman: zet 't nieuws 's aan. En kijkt hij
vanaf zijn kruk naar hoe een ander vindt dat het
zal gaan. Of hij wel slapen kan vannacht.
dinsdag 3 januari 2012
Mijn hart zal doorgaan
Ik was bang dat als ik heel lang naar je keek
ik jou daarmee zou breken. Maar ik deed het.
Ik was bang dat als ik je zou aanraken, jij zou
vragen: waarom aai je me. Dus koosde ik je stiekem lief.
Toen ik dan toch je hand beetpakte, bleek die even slank,
fragiel en lang als je gezicht, je torso en je tenen.
Ik moest denken aan een grapje dat ik lang geleden
schreef: over een meisje dat tot in haar voeten voelde
hoe een man haar streelde, terwijl ze leefde zonder benen.
Je was gevoelig en bent de hele avond met je zwarte kleren
in de donkere muur verdwenen.
Op het laatst zei je: tot ziens. Ik vroeg of je dat meende.
Je zweeg en sloeg me met de neerslag van je ogen
hard in het gezicht.
maandag 2 januari 2012
Poëzie (1)
voor Djoeke
Alleen wanneer er nog niets op papier staat,
staat alles er nog: hoe de takken van de bomen
op 1 januari zwaar waren van regen, hoe we
met paraplu door de stad zwoegden, wind tegen.
Hoe je zei: kus de Labello van mijn lippen,
hoe ik dat deed en hoe ik er bijna van moest
overgeven. We stonden op een brug, straatstenen
lagen tussen spiegelplassen met daarin de stad
van onder. Er gebeurde niets op straat, behalve
voetgangers. Wij in het bijzonder. Een dode vogel
lag uiteen gereten op de stoep. Je wees, zei:
da's 't leven. Ik streelde je vaarwel, snelde op huis aan,
heb dit alles opgeschreven en besloot met: opdat wij twee
het alles dat er eerst nog stond, hebben verdreven.
zondag 1 januari 2012
Poëzie
voor D.
Alleen wanneer er nog niets op papier staat,
staat alles er nog: hoe de takken van de bomen
op 1 januari zwaar waren van regen, hoe we
met paraplu door de stad zwoegden, wind tegen.
Hoe je zei: kus de Labello van mijn lippen,
hoe ik dat deed en hoe ik er bijna van moest
overgeven. We stonden op een brug, straatstenen
lagen tussen spiegelplassen met daarin de stad
van onder. Er gebeurde niets op straat, behalve
voetgangers. Wij in het bijzonder. Een dode vogel
lag uiteen gereten op de stoep. Je wees, zei:
da's 't leven. Ik streelde je vaarwel, stoof op huis aan,
heb dit alles opgeschreven en besloot met: opdat wij
voor altijd tussen bijna alles mogen blijven staan.
Abonneren op:
Posts (Atom)